Bengaalse varaanAuthor: Arindam Aditya
License: CC BY-SA 4.0


   Leefgebied Bengaalse varaanPapenfuss, T., Shafiei Bafti, S., Sharifi, M., Bennett, D. & Sweet, S.S. 2010. Varanus bengalensis.
The IUCN Red List of Threatened Species 2010.
Accessed on 09 February 2017.
   Bengaalse varaanAuthor: Sanjeevrs2000
License: CC BY-SA 4.0


Varanus bengalensis

gb Bengal Monitor Lizard, Clouded Monitor, Common Indian Monitor de Bengalenwaran  fr Varan du Bengale 

Leefgebied

Bengaalse varanen komen in grote delen van Zuid-Azië voor. In vergelijking met andere varanen hebben Bengaalse varanen een veel groter verspreidingsgebied. Deze soort is wijd verspreid van Afghanistan tot Java en leeft in Zuidoost-Irak, Iran, Afghanistan, Pakistan, India, Zuid-Nepal, Bhutan, China, Noord- en Zuid-Vietnam, Laos en op de eilanden in de Straat van Malakka en op de Grote Soenda-eilanden. In Iran komen ze alleen voor in de zuidoostelijke regio's en eerder bij rivieren die afwateren in moerassen en ondiepe meren dan in de zee. Ze komen hier vooral voor langs de Gartatab rivier. In Afghanistan komen ze alleen voor in de riviervallei van de Kabul in het uiterste zuidoosten van het land. 

In tegenstelling tot andere soorten varanen kunnen Bengaalse varanen in een breed scala van habitats leven, zoals woestijnen, regenwouden en zelfs gebieden waar het in de winter sneeuwt. Ze worden echter meestal aangetroffen in gebieden met een over het algemeen warm klimaat met een gemiddelde jaarlijkse temperatuur van rond de 24 graden.

In het grootste deel van Zuid-Azië worden de seizoensgebonden moessons en de winden beïnvloed door naastgelegen zeeën en bergen. Daarom varieert de hoeveelheid neerslag in een groot deel van het leefgebied van Bengaalse varanen erg. Sommige leefgebieden zijn relatief droog, met een gemiddelde neerslag van minder dan 200 mm per jaar. Andere habitats zijn aanzienlijk vochtiger met een jaarlijkse neerslag van 2200 mm per jaar. De tropische bossen waarin ze leven zijn zowel bladverliezende en semi-bladverliezende bossen als groenblijvende tropische bossen en bossen met doornenstruiken.

Uiterlijk

Volwassen Bengaalse varanen zijn meestal grijs of grijsgroen van kleur, met op de buik, van de kin naar de staart, een patroon van grijs tot zwarte dwarsstrepen. In de westelijke delen van hun leefgebied zijn deze markeringen over het algemeen het donkerst en in de oostelijke leefgebieden het lichtst. Naarmate ze ouder zijn worden deze markeringen lichter, terwijl de ondergrond donkerder wordt. Volwassen dieren hebben dus een minder contrasterend patroon dan jonge dieren. 

Bengaalse varanen kunnen 175 cm lang worden met een staartlengte van 100 cm. Gemiddeld worden ze 150 cm lang met een kop-romplengte van 58 cm. Vrouwtjes worden gemiddeld 120 cm lang met een kop-romplengte van 42 cm. Mannetjes wegen gemiddeld 2,7 kg en vrouwtjes 1,5 kg. Het zwaarste exemplaar welke in het wild is waargenomen was een mannetje van 7,18 kg. In gevangenschap kunnen ze echter 10 kg worden. In het wild wegen mannetjes over het algemeen 42% meer dan vrouwtjes. Mannetjes met dezelfde kop-romplengte (dus zonder de staart) als vrouwtjes, zijn meestal 9,2% zwaarder.

De omgeving speelt een belangrijke rol in de omvang en de lengte van Bengaalse varanen. In het algemeen komen in gebieden met een grote bodemvochtigheid, zoals moerassen, langere exemplaren voor terwijl in de omliggende bossen vaak kortere exemplaren voorkomen. Exemplaren die op de kleine eilanden in zowel de Zuid-Chinese Zee en de Golf van Thailand voorkomen zijn, wanneer ze geslachtsrijp worden, met een kop-staartlengte van 23,3 cm veel kleiner dan die van het nabijgelegen vasteland.

De kaken zijn lang en dragen stevig verankerde tanden die enigszins naar achteren gericht zijn. Hierdoor hebben ze een betere grip op de prooi zodat deze niet uit de bek kan ontsnappen. Aan de onderzijde van de kop is een voedselzak aanwezig, welke sterk uit kan zetten. Hierdoor kan een grote brok voedsel in één keer naar binnen gewerkt worden.

Voortbeweging

Een groot deel van de dag zijn ze voortdurend in beweging, op zoek naar voedsel. 

Wetenswaardigheden

  • Vruchtbare vrouwtjes geven chemische signalen af aan mannetjes door klieren in de huid van de buik.
  • Binnen één broedsel kunnen er verschillen van wel 105 dagen in de incubatietijd voorkomen.
  • Bengaalse varanen zijn bijna uitsluitend carnivoren en eten meer dan 200 verschillende soorten dieren.

Voedsel in de natuur

Bengaalse varanen zijn bijna uitsluitend carnivoren. Ze eten bijna alles wat kleiner is dan zijzelf en wat ze makkelijk te pakken kunnen krijgen. Ze staan bekend om het zoeken naar karkassen van eerder gedode dieren. Hun voedsel bestaat dan ook uit meer dan 200 verschillende diersoorten waaronder wormen, insecten, amfibieën, kleine reptielen, vogels, kleine zoogdieren en eieren. Kannibalisme komt ook voor in de vorm van het eten van eieren, jonge dieren en zelfs volwassenen exemplaren hoewel dat laatste zeldzaam is.

Net als de meeste andere soorten varanen slikken ze hun prooi heel door maar zijn ze ook in staat om vlees stukken vlees af te scheuren van grotere dieren en karkassen. Bij kleine Bengaalse varanen bestaat het dieet door 52,8% uit verschillende soorten kevers en voor 9,5% uit insecten. De rest van het dieet bestaat uit andere insecten, krabben, knaagdieren, reptielen, spinnen, vogels en bijna elk ander dier wat ze redelijkerwijs kunnen verorberen.

Gedrag

In het wild leven Bengaalse varanen bijna uitsluitend solitair. Tijdens het paarseizoen komen ze meer in contact met elkaar wanneer de mannetjes om een vrouwtje wedijveren.

Net als de meeste andere soorten varanen is geur de belangrijkste vorm van communicatie. Ze “proeven” hun omgeving door voortdurend met hun zeer gevoelige tong te bewegen waarbij ze hun kop heen en weer bewegen. Hiermee sporen ze prooien op en communiceren ze met soortgenoten. Ze besteden ook veel tijd aan het onderzoeken van uitwerpselen van andere Bengaalse varanen die door hun territorium zijn getrokken. Hoewel ze solitair zijn, zijn de geuren in de ontlasting belangrijk voor de communicatie. Zo kan de geur van één dier een ander op de hoogte stellen van vijandige intenties en om weg te blijven uit een bepaald territorium.

Andere vormen van communicatie zijn het aanraken, bijten, krabben en vechten. Bij conflicten maken ze gewoonlijk een sissend geluid wat vergezeld gaat van het opblazen van het bovenlichaam zodat ze groter lijken. Ook slaan ze dan met hun staart. Tijdens het vechten gaan ze ook vaak op hun achterpoten staan en slaan ze met hun bovenlichamen en koppen tegen elkaar aan.

Predatie

Ondanks het feit dan Bengaalse varanen zelf predatoren zijn, zijn ze zelf ook slachtoffer van predatie. Predatoren zijn andere Bengalen varanen, pythons en andere grote slangen, adelaars, mangoesten, wilde en gedomesticeerde honden, wilde katten en zelfs mensen. Eieren, pas uit het ei gekropen jongen en juveniele exemplaren zijn voornamelijk het slachtoffer. Slechts een klein deel van de slachtoffers zijn volwassen dieren.

Voortplanting in de natuur

De vrouwtjes hebben een jaarlijkse voortplantingscyclus. In het westelijk deel van het leefgebied valt de voortplantingsperiode in de maanden juli en augustus en in de meer zuidelijke gelegen gebieden, zoals in India en Sri Lanka, in oktober tot december.

Bij het kunnen herkennen van vruchtbare vrouwtjes door de mannetjes spelen chemische signalen een belangrijke rol. Deze signalen worden bij het vrouwtje geproduceerd door klieren in de huid van de buik.

De ontwikkeling van een Bengaalse varaan begint met een variabele incubatietijd. Laboratoriumonderzoeken hebben aangetoond dat dit varieert van 70 tot 327 dagen en grotendeels afhankelijk is van de gemiddelde temperatuur van het ei. Zelfs binnen één broedsel, kunnen er verschillen van wel 105 dagen in de incubatietijd voorkomen. Een hoge temperatuur heeft meestal een kortere ontwikkelingstijd tot gevolg, maar kan leiden tot scheve verhoudingen in de seksen of ontwikkelingsstoornissen veroorzaken.

Meestal produceren volwassen vrouwtjes van Bengaalse varanen één legsel per jaar. Echter, in sommige gebieden waar twee regenseizoenen voorkomen, krijgen sommige vrouwtjes twee legsels per jaar. Als er twee legsels worden geproduceerd dan bedraagt de periode tussen het leggen van de eerste eieren en het produceren van het tweede legsel 23 tot 30 dagen.

Er wordt ook gesuggereerd dat vrouwtjes in meer natte omgevingen een hoger percentage legsels hebben dan vrouwtjes uit droge gebieden. Dit kan te wijten zijn aan de langere voortplantingsperiode in de meer nattere omgevingen en een hoger voedselaanbod, wat gevolgen heeft voor de vetproductie.

In gevangenschap bleek ook dat de daglengte een effect had op het voortplantingspatroon. Wanneer de daglengte kunstmatig werd verlengd begonnen de mannetjes in april al onderling te wedijveren en begon het paren ook eerder.

Het gemiddeld aantal eieren per jaar is ongeveer 20, waarvan ongeveer 80% uitkomt. Dit resulteert in ongeveer 16 jongen per vrouwtje per jaar. Omdat Bengaalse varanen ten opzicht van andere tropische hagedissoorten een relatief groot legsel hebben, worden de pasgeborenen blootgestel aan relatief veel predatie. Als gevolg hiervan overleeft de helft van de nakomelingen de eerste twee jaar niet.

Bengaalse varanen zijn relatief langlevende varanen. Deze soort is meestal, zowel in het wild als in gevangenschap, pas met 2½ tot 3 jaar geslachtsrijp wanneer ze een gewicht van 400 gram hebben bereikt. Wanneer de vrouwtjes geslachtsrijp zijn blijven ze dat de rest van hun leven wat maximaal 27 jaar is.

Bedreiging

Bengaalse varanen zijn volgens de rode lijst van de IUCN niet bedreigd. Dit is gebaseerd op de grote geografische verspreiding. De soort staat echter steeds meer onder druk. Er wordt op ze gejaagd voor het vlees, de huid en voor het maken van medicijnen. Door de groei van de menselijke bevolking en de uitbreiding van nederzettingen komen de aantallen steeds meer onder druk te staan.

Bronnen:

 

Creative Commons-Licentie
Dit werk valt onder een Creative Commons Naamsvermelding-GelijkDelen 3.0 Unported-licentie.

Paspoort

Naam Bengaalse varaan
Klasse Reptilia (Reptielen) 
Orde Squamata (Schubreptielen)
Familie Varanidae (Varanen)
Geslacht Varanus
Soort Varanus bengalensis
Kop-romplengte ♂ Gem. 58 cm
Kop-romplenge ♀ Gem. 42 cm
Staartlengte ♂ Gem. 92 cm
Staartlengte ♀ Gem. 78 cm
Gewicht ♂ Gem. 2,7 kg
Gewicht ♀ Gem. 1,5 kg
Broedinterval Jaarlijks
Leggen eieren Westelijk deel leefgebied: juli - augustus
Zuidelijke gelegen gebieden: oktober - december. 
Aantal legsels 1 - 2 per jaar
Aantal eieren 20 eieren
Incubatietijd Variabel: 70 - 327 dagen
Geslachtsrijp 2½ - 3 jaar
Levensduur 27 jaar
Voeding in de natuur Wormen, insecten, amfibieën, kleine reptielen, vogels, kleine zoogdieren en eieren 
Leefgebied Zuid-Azië
Groep/solitair Solitair
Fokprogramma  
CITES Appendix I (01/07/1975)
EU Listing Annex A (04/02/2017)
IUCN Niet bedreigd
Follow Us

Deze website gebruikt cookies.

Als u de browserinstellingen niet wijzigt gaat u hiermee accoord Lees meer

Deze melding verbergen