GeelborstkapucijnaapAuthor: Rob de Ruiter.
License: CC BY-NC-SA 4.0


   Leefgebied geelborstkapucijnaap Kierulff, M.C.M., Mendes, S.L. & Rylands, A.B. 2015.
Sapajus xanthosternos.
The IUCN Red List of Threatened Species 2015.
Accessed on 15 July 2016.
   GeelborstkapucijnaapAuthor: Miguelrangeljr.
License: CC BY-SA 3.0


Zoogdieren

Sapajus xanthosternos (Cebus xanthosternos)

gbGolden-bellied capuchin  de Gelbbrust-Kapuziner  frSapajou à poitrine jaune

Leefgebied

Geelborstkapucijnapen leven in een neotropisch verspreidingsgebied. Ze komen alleen voor in een deel van het Atlantisch Woud in het zuiden van de deelstaat Bahia in Brazilië tot op een hoogte van 1850 meter. In het verleden hadden ze een veel groter verspreidingsgebied ten noorden en ten westen van de rivier Rio São Francisco. Tegenwoordig is hun verspreidingsgebied teruggebracht tot het gebied ten noorden van de Rio Jequitinhonha tot aan de Rio Paraguaçú.

Ze leven in zowel mangroven, als in delen van bladverliezende droge bossen langs de kust, en in regenwouden. Ze zitten daar hoofdzakelijk in de tussenlagen en de kroonlagen. 

Uiterlijk

Kapucijnapen hebben een klein lichaam, grote naar voren gerichte ogen, een ronde kop en een platte neus. Ze hebben een grijpstaart die ze gebruiken als een vijfde ledemaat om zich voort te bewegen door het bos. Ook hebben ze lange vingers met nagels, niet opponeerbare duimen en grote, wel opponeerbare, tenen. Mannetjes hebben grotere hoektanden dan vrouwtjes. Volwassen dieren hebben op hun kop donkere haarpluimen. Wanneer ze twee van dergelijke haarpluimen hebben lijkt het net alsof ze hoorns hebben.

Ze hebben een lichtbruine of een donkerbruine vacht. Bij de schouders en de buik is de vacht goudgeel. De borstkas heeft of dezelfde goudgele kleur of is goudrood. Het gezicht is licht van kleur. De zijkanten van de kop zijn net als de voeten, handen, en staart, zwart van kleur. De bovenkant van de kop is grijs.

De staart varieert in lengte van 37,5 tot 49 cm, terwijl het lichaam zelf 35 tot 48.8 cm lang is. Mannetjes wegen 1,3 tot 4,8 kg en zijn meestal iets groter dan vrouwtjes die 1,4 tot 3,4 kg wegen.

Voortbeweging

Kapucijnapen lopen meestal op vier poten, maar kunnen ook op twee poten lopen, Ze kunnen goed in bomen slingeren en tussen bomen heen en weer springen.

Wetenswaardigheden

  • Kapucijnapen zijn erg intelligent, kunnen goed gooien, zijn erg behendig en fervente gebruikers van gereedschappen.
  • Kapucijnapen plassen over hun poten en smeren urine in hun vacht om hun territorium af te bakenen.

Voedsel in de natuur

Geelborstkapucijnapen zijn echte omnivoren. Ze eten vruchten, zaden, nectar, merg, stengels, noten, bessen, bloemen, bladeren, vogeleieren, insecten, kikkers, kleine reptielen, vogels, vleermuizen, andere kleine zoogdieren en zelfs oesters en krabben die ze in de kustgebieden vinden.

Gedrag

Over het gedrag van geelborstkapucijnapen is niet veel gedocumenteerd maar kapucijnapen in het algemeen zijn boombewonende dagdieren die zich op vier poten voortbewegen en die het grootste deel van de tijd dat ze wakker zijn doorbrengen met het zoeken naar voedsel.

Ze leven in groepjes van 8 tot 30 dieren waarin evenveel mannetjes als vrouwtjes voorkomen. In een groep heerst een sociale hiërarchie. Er is één dominant mannetje en alle andere mannetjes zijn lager in rang. Het dominante mannetje is niet altijd de sterkste maar wel de meest dominante. Er is ook een dominant vrouwtje in de groep die hoger in rang is dan de andere vrouwtjes maar minder dominant is dan het dominante mannetje.

Dominante mannetjes laten vrouwtjes en hun jongen eten van het voedsel wat hij verzameld heeft. Ook dragen ze jongen mee die van hun moeder gescheiden zijn.

Om de onderlinge samenhang van de groep te versterken verzorgen de leden elkaars vacht waarbij het dominante mannetje de meeste aandacht krijgt. 

Geelborstkapucijnapen plassen net als andere kapucijnapen over hun poten en smeren urine in hun vacht. Dit doen ze waarschijnlijk om hun territorium af te bakenen. Ze smeren hun vacht ook in met andere sterk ruikende stoffen. Wanneer ze andere groepjes tegenkomen verdedigt het dominante mannetje zijn groep, de voorraden en het territorium.

Predatie

Predatoren zijn grote katachtigen (jaguars, poema's en ocelots), giftige slangen en wurgslangen (ratelslangen en boa's) en grote roofvogels (havikachtigen). In de buurt van water kunnen krokodillen ook een bedreiging vormen. In groepen hebben individuen een betere overlevingskans doordat de hele groep waakzaam is. Wanneer een roofdier wordt waargenomen laten ze een alarmroep horen om de andere leden van de groep te waarschuwen. De kleur van hun vacht zorgt voor een goede camouflage wanneer ze in de bomen zitten.

Voortplanting in de natuur

Hoewel er niet veel bekend is over de voortplanting wordt aangenomen dat deze sterk lijkt op het voortplantingsgedrag van de bruine kapucijnaap. Die soort heeft sterk wisselende onderlinge seksuele relaties waarbij de vrouwtjes een voorkeur hebben voor het dominante mannetje aangezien hij de beste bescherming kan geven aan haar jongen.

Het dominante mannetje is het meest succesvol bij de voortplanting, hoewel ook lager gerangschikte mannetjes in staat zijn om te paren. Het dominante vrouwtje probeert om de enige te zijn met wie het dominante mannetje paart, en daarom vertoont ze agressie gedrag tegenover de andere vrouwtjes. Door het paringsgedrag van de mannetjes en vrouwtjes is het echter niet altijd duidelijk wie de vader is.

Er is geen bepaalde paartijd en de jongen worden dan ook het hele jaar door geboren. De periode tussen de geboortes bedraagt 22 maanden. De draagtijd bedraagt 150 tot 180 dagen waarna één jong van 250 tot 290 gram wordt geboren. 

De jongen zijn bij de geboorte hulpeloos en hebben veel zorg van de moeder nodig om te kunnen eten en om beschermd te blijven. Ze klampen zich vast aan de rug of de buik van de moeder. Wanneer ze 2 tot 3 maanden oud zijn verlaten ze moeder af en toe voor een korte periode om zich tussen andere jongen te mengen. Rond deze tijd zijn oudere broers en zussen ook in staat om te gaan "babysitten" en om de jongen rond te dragen. Wanneer een jong gescheiden is van haar moeder verzorgen andere dieren het zolang totdat de moeder terug is. Over het spenen is niet veel bekend maar er wordt aangenomen dat dit tussen de 2 en 11 maanden plaatsvindt.

De jongen zijn na 6 tot 12 maanden onafhankelijk van de moeder. Tot ze zes maanden oud zijn houden de jongen een sterke band met de moeder. Jonge vrouwtjes blijven in de groep van de moeder terwijl mannetjes na 2 tot 4 jaar zich aansluiten bij een andere groep. 

Vrouwtjes zijn na 4 tot 5 jaar geslachtsrijp maar meestal krijgen ze geen jongen voordat ze 7 tot 8 jaar oud zijn. Mannetjes zijn na 6 tot 8 jaar geslachtsrijp. Er is niet veel bekend over de levensduur van geelborstkapucijnapen maar men neemt aan dat ze in het wild niet ouder worden dan 30 jaar.

Bedreiging

Sinds 1966 staat de geelborstkapucijnaap, als gevolg van de jacht en verlies van leefgebied, als "Ernstig bedreigd" op de Rode lijst van de IUCN

Bronnen:

Creative Commons License
Dit werk valt onder een Creative Commons Naamsvermelding-GelijkDelen 3.0 Unported-licentie.

Paspoort

Naam Geelborstkapucijnaap
Klasse Mammalia (Zoogdieren)
Orde Primates (Primaten)
Familie Cebidae (Kapucijnapen, doodshoofdaapjes en klauwaapjes)
Geslacht Sapajus
Soort Sapajus xanthosternos (Cebus xanthosternos)
Grootte  35 - 48,8 cm
Staartlengte 37,5 - 49 cm
Gewicht man 1,3 - 4,8 kg
Gewicht vrouw 1,4 - 3,4 kg
Paringsinterval 22 maanden
Paartijd Het hele jaar door
Draagtijd 150-180 dagen 
Nest Jongen worden op de rug en de buik van de moeder gedragen
Geboorte Het hele jaar door 
Geboortegewicht 250-290 gram 
Aantal jongen 1 jong 
Spenen 2-11 maanden
Geslachtsrijp man 6-8 jaar 
Geslachtsrijp vrouw 4-5 jaar
Levensduur 30 jaar in het wild
Voeding in de natuur Omnivoor: vruchten, zaden, nectar, merg, stengels, noten, bessen, bloemen, bladeren, vogeleieren, insecten, kikkers, kleine reptielen, vogels, vleermuizen, andere kleine zoogdieren, en zelfs oesters en krabben.
Leefgebied Zuid-Bahia in Brazilië 
Groep/solitair Groepjes van 8-30 dieren 
Fokprogramma EEP: MULHOUSE, Benoit Quintard
CITES Appendix II (04/02/1977)
IUCN Ernstig bedreigd (CR)
   
Follow Us