Vogels (Latijn: Aves) zijn een klasse van de chordadieren (Chordata) met 10.347 wetenschappelijk beschreven nog levende soorten, in 2197 geslachten, 224 families en 39 orden die allemaal twee zeer kenmerkende eigenschappen gemeen hebben: ze hebben vleugels en veren. Vogels hebben zeer uiteenlopende leefgebieden: van oceanen tot woestijnen en van tropische regenwouden tot het poolgebied. Ook in vorm en grootte zijn vogels zeer verschillend. De struisvogel is groot en kan niet vliegen; de kolibrie is klein en is een zeer behendige vlieger.

Ontstaan

De eerste vorm waarvan de meeste wetenschappers aannemen dat zij tot de vogels behoorde, verscheen laat in het Jura-tijdperk: de "oervogel" Archaeopteryx. Er is echter een fossiel (Protoavis) dat mogelijk laat zien dat zij al in het Trias ontstaan zijn, hoewel dat uiterst omstreden is. De modernere vogels, de Ornithurae, splitsten zich in verscheidene groepen. In het Krijt waren de Enantiornithes lange tijd toonaangevend. Een andere ontwikkelingslijn bestond uit de moderne vogels, de Neornithes. Alle vormen behalve (een aantal van) deze Neornithes, stierven samen met de dinosauriërs (Dinosauria) uit tijdens de periode die als de Krijt-Paleogeengrens bekend staat.

De moderne vogels (Neornithes) vormen een grote en gevarieerde groep dieren. Er is één kenmerk dat tegenwoordig bij uitstek uniek is voor de vogels: veren. Alle vogels hebben veren, in tegenstelling tot elk ander huidig dier. Recente fossielen uit China tonen aan dat er onder sommige dinosauriërs zowel veren in moderne zin bestaan hebben als eenvoudige voorlopers ervan.

Aangezien het niet waarschijnlijk is dat zo'n uniek kenmerk meer dan eens is ontstaan, werpt dit een geheel nieuw licht op de relatie tussen vogels en dinosauriërs. In ieder geval zijn de vogels en dinosauriërs ten nauwste aan elkaar verwant. Hiervoor is een aantal mogelijkheden:

  1. Vogels zijn dinosauriërs die zijn gaan vliegen nadat veren zijn ontstaan;
  2. Dinosauriërs zijn vogels die het vliegen hebben verleerd en (grotendeels) de veren hebben verloren;
  3. Beide stammen af van een, tot nu toe onbekende, gemeenschappelijke voorouder die veren had.

Tegenwoordig beschouwen de meeste geleerden de eerste mogelijkheid als de meest waarschijnlijke.

Kenmerken

Veren en vleugels

Vogels hebben een speciale bedekking op hun huid, deze bedekking krijgen ze in een later stadium van hun leven. Ze worden geboren met dons, dat zich al ontwikkelt in de eierschaal.

Veren of pluimen hebben een aantal functies. Allereerst bieden ze isolatie. Tussen de veren wordt een laagje lucht vastgehouden dat wordt opgewarmd door het lichaam. Dankzij de veren gaat er weinig lichaamswarmte verloren. Bovendien zorgen de veren samen met natuurlijk vet voor een ideale isolatie tegen water, alle in het water levende vogels maken hier gebruik van.

De lichaamsbedekking bestaat uit donsveren en dekveren. De donsveren dienen als een soort "onderkleding" en de dekveren als "bovenkleding". De veren van de vleugels en staart zijn het grootst en worden pennen genoemd. In de botten van de vleugels is het patroon van een arm met een hand te herkennen. Sommige vogels hebben veren die niet erg 'verig' meer aandoen: pinguïns, kiwi's, struisvogels.

Bij vogels zijn het bijna altijd de vrouwtjes die de broedzorg hebben en goede schutkleuren hebben; het zijn de mannetjes die de meest kleurige en opvallende veren hebben (bij onder andere franjepoten zijn de vrouwtjes het mooist), in tegenstelling tot andere dieren moet het vrouwtje verleid worden; vaak gaat dit gepaard met een soms complexe baltsdans, zang of een "romantisch" dineetje (vb.:een hoopje wormen).

Veren gaan niet een volledig vogelleven mee. Daarom moeten vogels ruien. Vaak gebeurt dat in de herfst, maar sommige vogels ruien ook nog een keer in het voorjaar. Sommige vogels worden speciaal gekweekt voor de veren zoals eidereenden, ganzen en struisvogels.

Botten en tanden

Vogels zijn sterk aangepast aan het vliegen. Zo hebben moderne vogels geen tanden in de kaak maar een hoornsnavel, die lichter is, en een gespierde maag om te kunnen "kauwen". Beide eigenschappen kunnen we ook bij dinosauriërs vinden. Vele uitgestorven vormen hadden echter nog wel tanden. Bij de meeste vogels kan de bovenkaak naar boven buigen.

Botten van vogels bevatten veel holtes, waardoor ze licht maar toch sterk zijn.

De meeste vogels hebben geen klauwen aan hun voorpoten (vleugels), maar er zijn vele uitzonderingen, bijvoorbeeld de struisvogel en de hoatzin.

Longen

Vliegen is een zeer arbeidsintensieve bezigheid die een goed hart- en longensysteem vereist om de vliegspieren van brandstof en zuurstof te voorzien en om geen zuurstofgebrek te hebben op grote hoogte (mensen hebben bijvoorbeeld wel last van een zuurstofgebrek als zij hoog klimmen). De stijve vogellongen werken beduidend efficiënter dan zoogdierlongen omdat de lucht er, door gebruik van flexibele buffers in de vorm van luchtzakken, en een aparte van kleppen voorziene in- en uitgang, altijd in één richting door stroomt, en er niet in- en weer uitgepompt wordt. Er is geen vermenging van zuurstofarme (oud) en (nieuwe) zuurstofrijke lucht. Hun longen bestaan inwendig uit een groot aantal buisvormige parabronchi, waar de gasuitwisseling plaatsvindt. De bloedstroom loopt daarbij tegengesteld aan de luchtstroom wat de uitwisseling bevordert. Vogels zijn in het bezit van voorste en achterste luchtzakken, waar de lucht via een tweedelige cyclus doorheen stroomt. De ademhaling gebeurt in twee cycli. Tijdens de eerste cyclus wordt de ingeademde lucht in de achterste luchtzakken gezogen en bij de uitademing verder geperst over de parabronchi in de longen. Tijdens de tweede cyclus wordt de lucht uit de parabronchi in de voorste luchtzakken gezogen en uitgeademd via de trachea. Er zijn sterke aanwijzingen dat deze eigenschap zich al bij de dinosauriërs (in het bijzonder de Avetheropoda) ontwikkeld heeft.

Snavel

De snavel van een vogel vertelt veel over de leefwijze. Zo hebben zaadeters een kegelvormige snavel, roof- en stortvogels een haakvormige snavel, insecteneters een korte, spitse snavel en vogels die hun eten in de grond of in het water zoeken een lange snavel. Eenden hebben een zeefsnavel om het voedsel uit het water te kunnen filteren. Bij vogels noemt men de streek tussen het oog en de wortel van de bovensnavel, de teugel.

Vogelpoten

Net als de snavel vertellen ook de poten veel over een vogel. Vogelpoten hebben bij de meeste groepen vier tenen. Vogels die in moerassen leven hebben lange poten met gespreide tenen en kleine vliezen. Eenden hebben echte zwemvoeten met brede zwemvliezen. Roof- en stortvogels hebben klauwen met lange nagels om mee te grijpen. Vogels die veel op takken zitten (zoals de meeste zangvogels) hebben pootjes die geschikt zijn om de tenen om een tak heen te krullen.

Andere kenmerken

Naast veren zijn er vele andere kenmerken, maar deze zijn niet geheel uniek, of niet elke vogel heeft ze:

  • Vogels zijn warmbloedig (samen met de zoogdieren)
  • Vogels kunnen vliegen (behalve bijvoorbeeld de struisvogels, emoes en pinguïns), alhoewel sommige zoogdieren deze eigenschap ook hebben, bijvoorbeeld vleermuizen.
  • Vogels lopen op twee poten (maar sommige reptielen en zoogdieren ook).
  • Vogels leggen eieren met een harde schaal.


Al deze eigenschappen, behalve misschien de tweede, afhankelijk van het omstreden vliegvermogen van Microraptor, komen ook bij (andere) dinosauriërs voor.

Spieren

De twee belangrijkste spieren die instaan voor de vleugelbewegingen zijn de grote borstspieren en de coracoacromiale band, ook wel kleine borstspier genoemd. Beide soorten bevinden zich grotendeels centraal aan de buikzijde, wat belangrijk is voor de balans van de vogel in vlucht. De grote en de kleine borstspier zijn antagonisten (=een spier die de tegenovergestelde beweging van een andere spier uitvoert), ze stellen de vogel in staat de vleugels te bewegen en zo dus ook te vliegen.

  • De grote borstspieren zorgen voor de neerwaartse vleugelslag. Hierbij moet enorm veel kracht ontwikkeld worden (de vogel moet zich als het ware afzetten tegen de lucht). Vandaar dat deze spieren in verhouding enorm groot zijn en zeer sterk ontwikkeld zijn.
  • De kleine borstspier heeft een tegengestelde werking, ze zorgt namelijk voor de opwaartse beweging van de vleugels. Voor de meeste vogels is de opwaartse slag louter een 'herstelslag': deze slag brengt de vleugel terug in positie om aan een krachtige neerwaartse stoot te beginnen. Deze spier is dan ook niet zo goed ontwikkeld als de grote borstspier.

Lichaamsdelen

In de volgende afbeelding zijn de verschillende lichaamsdelen van een vogel aangegeven:

vogel
Author: Original uploader was Rex at nl.wikipedia
License: CC BY-SA 3.0

Anatomie van een vogel

Onderverdeling

De moderne vogels (de Neornithes) zijn in twee hoofdgroepen onder te verdelen, de Paleognathae (Struisvogelachtigen) en de Neognathae (alle overigen). De namen verwijzen naar de structuur van de kaak (gnathos) die ofwel 'ouderwets' (palaeos) ofwel 'nieuw' is (neos). De paleognathe vogels zijn grotendeels loopvogels die het vliegen verleerd hebben, hoewel de tinamoes daar een uitzondering op zijn.

De Neognathae worden onderverdeeld in een vrij groot aantal orden. De taxonomie van de vogels was anno 2005 echter een vrij omstreden zaak, omdat de DNA-resultaten een aantal traditionele denkbeelden tegenspreken (zie DNA-onderzoek naar de taxonomie van de vogels). Een gedegen studie van DNA-basevolgorden is in tegenstelling tot die van de zoogdieren pas in 2008 verschenen. De gegeven indeling van de vogels is daarom onder voorbehoud en zal ongetwijfeld nog bijstelling behoeven.

Wel is sinds de vondst van Vegavis iaai (beschreven 2005) duidelijk geworden dat een deel van de diversiteit van de Neornithes en zelfs de Neognathae al stamt uit het Mesozoïcum. De stamboom moest daarom in 2005 qua tijd vrij drastisch herzien worden (vgl. de twee stambomen). Ook werd het duidelijk dat de Neognathae bestonden uit een 'oude' group de Galloanserae die de eendachtigen en de hoenders omvat en een 'nieuwere' die met Neoaves wordt aangeduid.

Hier op Wikipedia wordt de taxonomie gebruikt zoals in de Geïllustreerde Encyclopedie van de vogels (Perrins, C.M., ed., 1990) (ISBN 90-6113-883-3). Hierin wordt de zogenaamde "traditionele" (d.i. morfologische) classificatie van de vogels tot uitdrukking gebracht. Deze classificatie heeft altijd problemen gekend. Veel van de morfologie van een vogel wordt gedicteerd door de specifieke levenswijze van het dier (kunnen vliegen met name) en veel fossielen zijn er niet omdat vogelbotten erg vergankelijk zijn.

Hoewel algemeen erkend wordt dat de traditionele classificatie op de helling moet, is het dd juli 2008 nog veel te vroeg om te kunnen spreken van een nieuwe consensus en houden we voorlopig om praktische redenen aan de oude vast, hoewel er grote beweging zit in de studie van de vogelsystematiek.

Nieuw DNA-onderzoek

Tot juli 2008 zijn er allerlei moleculaire classificaties van de vogels gesuggereerd, maar die waren allemaal onstabiel. Een consensus onder ornithologen ontbrak. Op 27 juni 2008 verscheen er echter een bijzonder uitgebreid onderzoek van de hand van Hackett et al dat waarschijnlijk verandering in die situatie gaat brengen. De resultaten zijn vrij schokkend. Zo blijft er van de orde Gruidae (Kraanvogels en verwanten) niet veel over. De valken blijken eerder aan de zangvogels en parkieten verwant dan aan de eigenlijke roofvogels, hoewel beide wel mede tot de kroon van de stamboom behoren die gemakshalve maar met 'landvogels' aangeduid wordt (zie afbeelding). De muisvogels en de uilen blijken verwant en hetzelfde geldt voor de futen en de flamingo's en zo zijn er nog tal van verrassingen. De dato juli 2008 is het duidelijk nog te vroeg om te zeggen hoe lang het gaat duren voor het vele stof wat bezonken is.

Zang

Veel vogels maken diermuziek, hetgeen vaak "zingen" genoemd wordt. Vogels maken geen geluid met het strottenhoofd zoals mensen, maar met behulp van trillende lippen en membranen in de syrinx, het vocale orgaan dat uniek is voor vogels.

Vooral de zangvogels, bijvoorbeeld de nachtegaal, hebben de zang tot een ware kunstvorm en een belangrijk communicatiemiddel ontwikkeld. Bij andere ordes is de 'zang' vaak een eentonige roep zoals bij de koekoek. De orde Passeriformes (zangvogels) is de jongste orde van de vogels die in het midden van het Tertiair ontstaan is. Het is vandaag verreweg de grootste orde met de meeste soorten, variërend van kleine actieve vogeltjes die in boomkruinen leven, zoals de zangers, tot de krassende raaf.

Waarom zingen vogels?

Voor middeleeuwse geleerden was dit duidelijk: vogels zingen om God te loven met hun lied. Bovenal gold dit voor de veldleeuweriken, die immers ook nog eens opstijgen naar de hemel. Zo schreef een anonieme dichter uit de veertiende eeuw over de leeuwerik:

    Aloëtte, voghel clein
    Dyn nature es zoete ende rein
    So es dyn edel sanc
    Daer dienstu met den Here allein
    Te love om sinen danc.

Later werd de opvatting populair dat vogels zingen om mènsen te behagen. Vogelzang zou geen ander doel dienen dan voor mensen prettige achtergrondmuziek te produceren. Modernere vogelonderzoekers echter hebben in tal van experimenten aangetoond dat vogels voornamelijk zingen om twee redenen. De eerste is om hun territorium te verdedigen tegenover soortgenoten. Het territorium is het voedselgebied van de vogel - wat niet automatisch samenvalt met het gebied waar het paartje broedt. Het mannetje zingt ook niet exact vanuit het midden van het territorium. Meestal kiest de vogel vier of vijf zangposten aan de buitenkanten, om het gebied goed af te bakenen. Zo'n buitenpost kan dus ook door een naburig mannetje als zangpost gebruikt worden. Het zingen is dus bedoeld om niet voortdurend grensgevechten te hoeven leveren. In veel opzichten is vogelzang dus weinig meer dan vocaal vechten, met ander woorden: ‘schelden naar de buren’.

De tweede reden om te zingen is het lokken (en binden) van een partner; vocaal flirten dus. Zo moet de prachtige en zeer luide nachtegaalzang zijn ontstaan: nachtegaalmannen komen een week eerder dan de vrouwen aan op de broedplaatsen en beginnen luidkeels een territorium te claimen. Dag en nacht proberen ze vervolgens een vrouwtje te lokken. De zanger met het meeste volume en uithoudingsvermogen heeft de grootste kans dat hij door een vrouwtje wordt uitverkoren om voor nageslacht te zorgen. Bij de meeste vogels dient hetzelfde zangtype beide doelen, maar er zijn ook vogels met een afzonderlijke territoriumzang en een aparte liefdeszang, bedoeld voor het vrouwtje. Dit laatste type is vaak een fluisterzang: een zeer zachte zang, die vaak alleen in de paartijd en vlak in de buurt van het wijfje wordt voortgebracht.

Vogelen

Vogelen is het kijken naar vogels als hobby. Vogelaars kunnen verschillende drijfveren hebben. Sommigen voeren inventarisaties van populaties uit, om zo de kennis over soorten te vergroten en natuurbescherming effectiever te maken. Anderen vinden het interessant om zoveel mogelijk verschillende soorten te zien. Ook reizen mensen die vogelen vaak naar natuurgebieden in binnen- en buitenland om daar vogels te bestuderen.

Vogelonderzoek

Om tot inzicht te komen over het gedrag van de diverse vogelsoorten, wordt er onderzoek gedaan, dit bestaat uit het ringen van vogels, analyse van het voedsel, het telemetrisch volgen tijdens de vogeltrek.

Bronnen

Creative Commons License
Dit werk is valt onder een Creative Commons Naamsvermelding-GelijkDelen 3.0 Unported-licentie.>
Follow Us

Deze website gebruikt cookies.

Als u de browserinstellingen niet wijzigt gaat u hiermee accoord Lees meer

Deze melding verbergen