KerkuilAuthor: Peter Trimming
License: CC BY 2.0
   Leefgebied kerkuilAutor: Jonathan Hornung
License: Public domain
   KerkuilAuthor: Maurice van Bruggen
License: CC BY-SA 3.0

Vogels

Tyto alba

gb Barn owl  de Schleiereule  fr Chouette effraie

Leefgebied

Kerkuilen zijn het meest wijdverbreid van alle uilen en komen in Amerika, Europa, Azië, Australië en Afrika voor. Ze komen in ieder continent voor behalve in Antarctica. Ze leven in open en half-open laaglandgebieden zoals graslanden, moerassen en woestijnen. Maar ze leven ook in stedelijke gebieden.

Uiterlijk

Kerkuilen zijn een opvallende verschijning. Het zijn middelgrote uilen en ze hebben lange poten die tot aan de tenen toe licht bevederd zijn. De kop is dik en voorzien van donkere ogen. Ze zijn aan de bovenzijde goudbruin gevlekt en aan de onderzijde licht gestippeld. Kerkuilen hebben afgeronde vleugels en een korte staart die bedekt is met witte of lichtbruine donzige veren. Ze hebben geen oorpluimen. 

Zoals bij veel andere uilen (en ook roofvogels) is het vrouwtje iets groter en zwaarder dan het mannetje. Vrouwtjes zwegen zo'n 570 gram, terwijl mannetjes ongeveer 470 gram wegen. Vrouwtjes zijn ook iets langer (34 tot 40 cm) dan mannetjes (32 tot 38 cm). De spanwijdte van mannetjes en vrouwtjes varieert van 107 tot 110 cm.

Voortbeweging

Door de donzige veren kunnen kerkuilen onhoorbaar vliegen.

Wetenswaardigheden

Op sommige eilanden in de oceaan zijn kerkuilen geïntroduceerd om knaagdieren plagen te bestrijden. 
In tegenstelling tot andere vogels bouwen kerkuilen geen vetreserve op voor de winter.

Voedsel in de natuur

Kerkuilen zijn nachtdieren die het liefst kleine zoogdieren, zoals woelmuizen, spitsmuizen, ratten, muskusratten, hazen en konijnen, eten. Ze jagen ook op kleine vogeltjes. Ze beginnen na zonsondergang te jagen waarbij ze veel profijt hebben van het feit dat ze goed kunnen zien bij weinig licht. Wanneer het helemaal donker is gaan ze op hun gehoor af. De donzige veren zorgen ervoor dat ze zelf geen geluid maken en dat ze ongemerkt bij de prooi kunnen komen.

Bij het jagen vliegen kerkuilen 1,5 tot 4,5 meter boven de grond en pakken dan de prooi met hun poten. Ze maken de prooi dood door deze achter achter de kop met de snavel te bijten. De prooi wordt vervolgens in zijn geheel ingeslikt. Vooral tijdens het broedseizoen vangen ze extra prooien.

Gedrag

Kerkuilen leven solitair of in paren. Het zijn nachtdieren die overdag in boomholtes, rotsspleten, rivieroevers, schuren, nestkasten, kerktorens of andere gebouwen verblijven. Het zijn zeer efficiënte jagers waardoor vermoed wordt dat ze veel van hun tijd inactief zijn. De meeste kerkuilen trekken niet. Alleen exemplaren die in het noordelijk deel van het verspreidingsgebied leven trekken.

De oren van de kerkuil zijn voor zover bekend het gevoeligst van alle dieren. Ze zijn dan ook erg goed in staat om prooien te lokaliseren met hun gehoor. Hierdoor kunnen ze bijvoorbeeld prooien vinden die zich in het gras of in de sneeuw verstopt hebben. Dit vermogen om zo scherp te horen wordt bewerkstelligd door de asymmetrisch geplaatste oren. Als er te veel lawaai is kunnen de oren met kleine gevederde klepjes worden afgesloten. Ze kunnen ook uitstekend zien bij weinig licht.

Predatie

In Noord-Amerika hebben kerkuilen weinig natuurlijke vijanden. Af en toe worden jongen gegrepen door hermelijnen en slangen. Soms wordt door Amerikaanse oehoes op kerkuilen gejaagd. In het westelijk Palearctisch gebied zijn de kerkuilen kleiner dan in Noord-Amerika en worden ze bejaagd door steenarenden, rode wouwen, haviken, buizerds, slechtvalken, lannervalken, arenden en bosuilen.

Voortplanting in de natuur

Kerkuilen vormen paartjes voor het leven. Pas als één van beide dood gaat wordt een andere partner gezocht. Ze broeden jaarlijks, meestal na het eerste levensjaar. Afhankelijk van het voedsel kunnen ze bijna in elk jaargetijde broeden. Gezien de korte gemiddelde levensduur broeden de meeste kerkuilen maar 1 tot 2 keer.

Voor het bouwen van nesten gebruiken kerkuilen donkere verscholen holtes in holle bomen, rotsen, rivieroevers, nestkasten, grotten, hooimijten, kerktorens, boerderijen en andere gebouwen waar ze in en uit kunnen vliegen. Dit is meestal in de nabijheid van een bosrijke omgeving met weilanden waar ze goed kunnen jagen. Ze gebruiken echter liever een oud nest dan dat ze een nieuwe bouwen.

Het mannetje lokt het vrouwtje, dat één en soms twee keer per jaar een legsel produceert. Een legsel kan bestaan uit 2 tot 18 eieren maar doorgaans zijn het er 4 tot 7. Iedere 2 tot 3 dagen wordt er een nieuw ei gelegd. De eieren worden in 29 tot 34 dagen uitgebroed. In die periode verlaat het vrouwtje het nest slechts voor korte momenten. Het mannetje zorgt voor het voedsel tijdens het broeden.

De jongen zijn nestblijvers die door het vrouwtje gedurende 25 dagen worden gevoerd met voedsel dat door het mannetje naar het nest wordt gebracht. Het voedsel wordt voor het voeren door het vrouwtje in stukjes gescheurd. Het vrouwtje houdt het nest schoon door de uitwerpselen van de jongen op te eten.

Als de jongen 50 tot 70 dagen oud zijn gaan ze voor het eerst vliegen. Totdat ze 7 tot 8 weken oud zijn slapen ze nog in het nest. Drie tot vijf weken nadat ze hebben leren vliegen zijn de jongen onafhankelijk van de ouders.

In het wild worden kerkuilen gemiddeld 21 maanden. In gevangenschap kunnen kerkuilen 10-15 jaar oud of meer worden, afhankelijk van de verzorging. De oudst bekende kerkuil is in gevangenschap 34 jaar geworden. De kortere levensduur in het wild is dikwijls te wijten aan verkeersongevallen en verdringing als gevolg van verstedelijking. De sterfte in het eerste jaar bedraagt 75%.

Bedreiging

De grootste bedreiging zijn de klimaatverandering, het gebruik van pesticiden en veranderde landbouwmethodes. Om onduidelijke redenen hebben kerkuilen meer last van pesticiden dan andere vogels. Door de pesticiden worden de eierschalen dunner. Door de grootschaligheid van de landbouw zijn er minder gebouwen waar kerkuilen kunnen nestelen. Maar het aantal kerkuilen gaat slechts in enkele gebieden achteruit. Daarom is deze vogel door IUCN geclassificeerd als niet bedreigd.

Bronnen:

Creative Commons-Licentie
Dit werk valt onder een Creative Commons Naamsvermelding-GelijkDelen 3.0 Unported-licentie.

Paspoort

Naam Kerkuil
Klasse Aves (vogels)
Orde Strigiformes (Uilen)
Familie Tytonidae (Kerkuilen)
Geslacht Tyto
Soort Tyto alba
Grootte man 32-38 cm
Grootte vrouw 34-40 cm
Spanwijdte 107-110 cm 
Gewicht man 470 gram
Gewicht vrouw 570 gram 
Broedinterval Meestal 1 keer per jaar maar soms 2 tot 3 keer per jaar
Broedperiode Het hele jaar door afhankelijk van de beschikbaarheid van voedsel.
Broedtijd 29-34 dagen
Nest In donkere, verscholen ruimten in schuren van boerderijen, kerktorens 
Gewicht eieren  
Aantal eieren 2-18 eieren, meestal 4-7
Uitvliegen Gemiddeld 64 dagen 
Geslachtsrijp 1 jaar 
Levensduur Gemiddeld 21 maanden in het wild
Voeding in de natuur Woelmuizen, spitsmuizen, ratten, muskusratten, hazen, konijnen en vogeltjes
Leefgebied Amerika, Europa, Azië, Australië en Afrika 
Groep/solitair Ze leven solitair of in paartjes
Fokprogramma
CITES Appendix II (2013) 
IUCN Niet bedreigd (LC)
Follow Us