RotsklipdasAuthor: Arikk.
License: CC BY-SA 3.0


  Leefgebied rotsklipdasButynski, T., Hoeck, H., Koren, L. & de Jong, Y.A. 2015. Procavia capensis.
The IUCN Red List of Threatened Species 2015.
Accessed on 22 August 2016.
   RotsklipdasAuthor: AnTu Andreas Tusche.
License: CC BY-SA 3.0


 

Zoogdieren

Procavia capensis

gb Rock hyrax, rock badger, Cape hyrax  de Klippschliefer, Klippdachs  fr Daman du Cap, Daman des rochers
nl Kaapse klipdas, dassie

Leefgebied

Rotsklipdassen komen voor in het grootste deel van Afrika en het Arabisch schiereiland, met uitzondering van het Kongobekken en Madagaskar. Het is de meest aan dorre omstandigheden aangepaste klipdassensoort. Het verspreidingsgebied omvat droge bergachtige gebieden in de Namibwoestijn, de Sahara en de Arabische woestijnen. Op Mount Kenya leven ze tot op een hoogte van 4300 meter.

Ze worden vaak aangetroffen in dorre leefgebieden waaronder woestijnen, savannes en bossen met struikgewassen en rotsachtige gebieden met matige vegetatieve begroeiing, in rotsspleten en holtes, waarbij de laatste gebruikt worden als schuilplaatsen. Hoewel ze zelf geen holen maken, bewonen ze wel verlaten holen van onder andere aardvarkens en stokstaartjes. Zelfs bij het trekken tussen leefgebieden blijven rotsklipdassen gewoonlijk in gebieden met één of andere vorm van dekking of andere mogelijkheden om te schuilen.

Uiterlijk

Rotsklipdassen zijn gedrongen dieren met een korte, dichte vacht. De kop is stomp met kleine, afgeronde oren. Ze hebben een paar lange, sterke, slagtandachtige stoottanden in de bovenkaak. Deze stoottanden zijn doorontwikkelde snijtanden en geen hoektanden. Deze snijtanden blijven hun hele leven doorgroeien. De snijtanden in de onderkaak zijn geribbeld. Omdat de stoottanden anders in de weg zitten moeten ze hun kop tijdens het grazen schuin houden. Ze grazen dan ook met hun kiezen in plaats van hun snijtanden.

Rotsklipdas schedelAuthor: Arche-foto; Burkhart Rüchel. License: CC BY-SA 4.0

De vacht is dicht en ruw, met een dikke ondervacht en een lange bovenvacht. De kleur verschilt per regio en ondersoort, maar is meestal grijzig licht- tot donkerbruin van kleur. Op de rug zit een gele, zwarte of oranje gekleurde ruwharige rugvlek. De onderzijde is lichtbruin tot beige. Rond de bek zitten lange zwarte snorharen. Op de rug bevindt zich ook een kale plek met een klier die feromonen afscheidt, wat waarschijnlijk wordt gebruikt om het territorium te markeren en voor de jongen om hun moeder te kunnen herkennen. De productie van de feromonen is het grootst tijdens het paarseizoen.

Ze worden 30 tot 55 centimeter lang en 3,6 tot 4,3 kilogram zwaar. De staart is 11 tot 24 millimeter lang. De achterpoten zijn van 65 tot 76 mm lang. De oren zijn 27-38 mm lang. De voorpoten hebben vier tenen en de achterpoten drie. Alle tenen hebben afgeronde hoefvormige nagels, behalve de binnenste achterteen, welke is voorzien van een klauw die gebruikt wordt bij de verzorging van de vacht. Onder de voeten zitten grote zwarte voetkussens die voor een betere grip op rotsachtige bodem worden natgehouden door zweetklieren die tussen de tenen zitten.

Voetkussen van een rotsklipdasAuthor: Arikk. License: CC BY-SA 3.0

Hoewel het geen herkauwers zijn, hebben klipdassen magen met drie kamers die gevuld zijn met bacteriën die helpen bij het verteren van planten. De jongen worden niet geboren met de bacteriën die ze nodig hebben om plantaardig materiaal te verteren. Die verkrijgen ze door het eten van de ontlasting van volwassen dieren.

Mannetjes zijn iets groter dan vrouwtjes en hebben een stompere kop en een dunner lijf met een dikkere nek. De stoottanden van mannetjes zijn langer en scherper dan die van vrouwtjes. Mannetjes hebben ook een groter strottenhoofd en een grotere keelzak, die bijdragen tot het versterken van hun territoriale roepen.

Er worden meerdere ondersoorten onderscheiden. Vaak worden vijf ondersoorten als aparte soorten beschouwd. Deze ondersoorten zijn:

  • Rotsklipdas (Procavia capensis capensis) - Zuid- & Zuidwest-Afrika
  • Abessijnse rotsklipdas (Procavia capensis habessinica) - Noordoost-Afrika, Zuidwest-Arabië
  • Johnstons rotsklipdas (Procavia capensis johnstoni) - Centraal- & Oost-Afrika
  • Kaokoveldklipdas (Procavia capensis welwitchii) - Kaokoveld
  • Westelijke rotsklipdas (Procavia capensis ruficeps) - Zuidelijke Sahara

Voortbeweging

Rotsklipdassen lopen met hun voorpoten op de zolen (plantigrade). Met de achterpoten lopen ze ook op de zolen maar bij het rennen doen ze dit op hun tenen (semi-digitigrade). 

Wetenswaardigheden

  • De ogen van klipdassen bevatten een speciaal membraan wat het Umbraculum genoemd wordt, en waarvan men vermoed dat het het oog beschermt tegen de zon.
  • De rotsklipdas is familie van de olifant.
  • Tijdens het paringsseizoen worden de testikels van de mannetjes meer dan 20 keer groter dan normaal.
  • De vrouwtjes hebben drie paar tepels.
  • De maag van de rotsklipdas bestaat uit drie afzonderlijke delen.

Voedsel in de natuur

De rotsklipdas eet voornamelijk ruwe grassen en kruiden, aangevuld met bladeren van lage struiken en afgevallen vruchten. Enkele van deze planten kunnen giftig zijn voor andere diersoorten. Soms klimmen ze ook in bomen en struiken om te eten.

Tijdens het regenseizoen bestaat 78% van het voedsel uit grassen, maar tijdens het droge seizoen is dit slechts 57%. Bij vochtige omstandigheden, hetzij tijdens het natte seizoen of na neerslag, hebben ze een voorkeur voor nieuwe scheuten, knoppen en bladeren. Tijdens droogte, eten ze grof materiaal, zoals schors, korstmossen en levermossen.

De hoeveelheid dagelijkse voeding hangt af van het lichaamsgewicht. Ook het vochtgehalte van planten heeft invloed op de hoeveelheid voedsel. Ze foerageren tot 60 m buiten hun holen, maar tijdens droogte kan dit verder weg zijn.

Vocht halen ze gewoonlijk uit het voedsel; ze drinken slechts bij hoge uitzondering uit een plas. De rotsklipdas is voornamelijk overdag actief maar in woestijnen komt hij ook op zomernachten tevoorschijn. Eten zoekt hij voornamelijk vroeg in de ochtend en in de middag. Terwijl de andere dieren eten, houden enkele klipdassen de wacht. Als er gevaar dreigt (bijvoorbeeld van een arend, gier of baviaan), slaken deze bewakers enkele kreetjes en vlucht de hele groep in holen tussen de rotsen. 

Gedrag

De rotsklipdas is een kuddedier en leeft in kolonies van wel 80 dieren, afhankelijk van de grootte van het leefgebied en de overvloed aan voedsel. Een kolonie bestaan gewoonlijk uit een territoriaal mannetje die een harem van verschillende verwante vrouwtjes en hun nakomelingen heeft, maar kan ook bestaan uit meerdere families, elk geleid door een volwassen mannetje.

Vrouwtjes blijven meestal in het hetzelfde gebied zonder dat er sprake is van een duidelijke dominante hiërarchie. Oudere vrouwtjes zijn echter wel meer geneigd om dominanter en waakzamer te zijn dan jongere vrouwtjes.

Jonge mannetjes moeten na 30 maanden de kolonie verlaten. Soms gebeurt dit al na 17 tot 24 maanden. Mannetjes zijn territoriaal en dulden zelden andere volwassen mannetjes in de buurt van de kolonie. Tegen jonge mannetjes die de kolonie moeten verlaten zijn ze ook erg agressief. De mannetjes die de groep moeten verlaten trekken meer dan 2 km op zoek naar een niet verdedigd gebied. In de meeste gevallen is er geen aanvaardbare leefomgeving in de buurt en worden de jonge mannetjes gedwongen om aan de rand van het leefgebied van de kolonie te leven en om holen te verdedigen om in te slapen  Wanneer het territoriale mannetje overlijdt of verzwakt raakt zal één van de mannetjes langs de rand van het leefgebied hem vervangen.

Ondanks het feit dat ze warmbloedig zijn, hebben rotsklipdassen een sterk fluctuerende lichaamstemperatuur en kunnen ze niet zonder beschutting tegen extreme temperaturen. Ze vertonen veel van het gedrag van reptielen om extreme temperaturen te vermijden. Tenzij het zeer warm is verlaten ze hun holen niet voor de ochtend en gaan ze eerst een uur zonnebaden. Hierna en in de middag gaan ze op zoek naar voedsel. Ze vermijden vaak het warmste deel van de dag door in de schaduw te rusten. Regen wordt ook vermeden, en tijdens de koude, regenachtige dagen komen ze helemaal niet uit hun hol. Soms zijn ze actief tijdens door de maan verlichte nachten.

Volwassen rotsklipdassen besteden 95% van hun tijd aan rusten. Hierbij liggen de dieren vaak bovenop elkaar in het hol. Er zijn aanwijzingen dat er een verband is met het rustgedrag en de omgevingstemperatuur. Als het steeds warmer wordt, verandert het gedrag van bovenop elkaar liggen naar apart liggen. De vrouwtjes en jongen die aan elkaar verwant zijn, zoeken vaak elkaars gezelschap op en kruipen dicht tegen elkaar aan.

Verspreid over de rots heeft de kolonie enkele latrines. Op vlakke, beschutte plekken worden mest en urine achtergelaten. De sterke geur daarvan is kenmerkend voor een bepaalde kolonie. Urine laten ze meestal lopen op opvallende, uitstekende rotsen. Het calciumcarbonaat in de urine blijft achter als lichtgekleurde strepen op de rotsen.

Predatie

Met uitzondering van hoge bergachtige gebieden zijn luipaarden de belangrijkste predatoren. Andere natuurlijke vijanden zijn slangen, adelaars, uilen, jakhalzen, Afrikaanse wilde honden en diverse katachtigen zoals servals, caracals en leeuwen.  Pasgeborenen worden soms door mangoesten opgegeten. Ze proberen roofdieren te ontwijken door alert te blijven en door tijdens het foerageren dichtbij beschutting te blijven. Ook reageren ze onmiddellijk op de alarmroepen van de territoriale mannetjes en andere dieren zoals de steppeklipdas en enkele vogels. Ze verschuilen zich soms ook in holen die te krap zijn voor de meeste roofdieren.

Voortplanting in de natuur

Rotsklipdassen zijn polygaam en een enkel territoriaal mannetje kan een harem van 3-7 vrouwtjes hebben in een gebied van minder dan 4000 vierkante meter. Ze paren jaarlijks. In Kenia loopt het paringsseizoen van augustus tot november zodat de jongen tijdens het regenseizoen worden geboren. Tussen rotsen bouwen ze een grasnest.

In de paartijd wordt het mannetje zeer luidruchtig. Hij benadert het vrouwtje met een erectie en rechtopstaande haren van de rugvlek en schudt zijn kop heen en weer, terwijl de klier op zijn rug een sterke geur verspreidt. Wanneer het vrouwtje nog niet paringsbereid is zal ze het mannetje aanvallen.

De rotsklipdas heeft een draagtijd van 6 tot 8 maanden wat erg lang is voor een zoogdier van die grootte. Tegen de tijd dat ze moeten werpen worden de vrouwtjes steeds agressiever en vormen ze vaak groepjes met andere drachtige vrouwtjes. Tijdens de weeën maken de vrouwtjes hese piepende geluiden. De jongen worden in het donker geboren.

Meestal krijgt een vrouwtje een tot vier jongen per worp, maar er zijn worpen van tot wel zes jongen bekend. De jongen kunnen bij de geboorte al zien, zijn volledig behaard en wegen 170 tot 240 gram. Ze worden na de geboorte eerst schoongelikt waarna ze op de rug van de moeder klimmen waar ze de lichaamsgeur uit de rugklier van de moeder opnemen en ze warm blijven.

Binnen een paar uren kunnen ze lopen. Na twee dagen kunnen ze springen en na drie tot vier dagen eten ze hun eerste vast voedsel. De vrouwtjes hebben drie paar tepels die allemaal gebruikt worden voor het zogen. De eerste paar dagen worden ze om de 1½ uur gevoed in een hol of buiten op de rotsen. Na drie maanden zijn ze gespeend. Na vijftien tot zestien maanden zijn ze geslachtsrijp maar pas na drie jaar zijn ze net zo groot en wegen ze net zo veel als volwassen dieren. De rotsklipdas wordt negen tot twaalf jaar oud.

Op sommige plaatsen, zoals in Tanzania en Zimbabwe, leven rotsklipdassen in gemengde groepen met steppeklipdassen (Heterohyrax brucei). Alhoewel de twee dieren samenleven, synchrone paartijden hebben, dezelfde latrines gebruiken en bij elkaar kruipen om warm te worden, komen er geen kruisingen tussen de twee soorten voor. Dit komt onder andere doordat de voortplantingsorganen anders gebouwd zijn: de penis van een rotsklipdasmannetje is veel korter en simpeler dan die van een steppenklipdasmannetje. 

Bedreiging

Op de rotsklipdas wordt wel gejaagd voor het vlees. De IUCN heeft de rotsklipdas geclassificeerd als "Niet bedreigd".

Bronnen:

Creative Commons License
Dit werk valt onder een Creative Commons Naamsvermelding-GelijkDelen 3.0 Unported-licentie.

Paspoort

Naam Rotsklipdas
Klasse Mammalia (Zoogdieren)
Orde Hyracoidea (Klipdasachtigen)
Familie Procaviidae (Klipdassen)
Geslacht Procavia (Rotsklipdassen)
Soort Procavia capensis
Kop-romplengte 305-550 mm
Schouderhoogte 190-260 mm
Staartlengte 11-24 mm
Gewicht mannetje 4 kg
Gewicht vrouwtje 3,6 kg
Paringsinterval Jaarlijks
Paartijd Augustus-november in Kenia
Draagtijd 6-8 maanden
Nest In het gras
Geboorte Maart-april 
Geboortegewicht 170-240 gram
Aantal jongen 1-4 jongen
Spenen 3 maanden
Geslachtsrijp 16 maanden
Levensduur 12 jaar in het wild
Voedsel Ruwe grassen en kruiden, aangevuld met bladeren van lage struiken en afgevallen vruchten.
Leefgebied Het grootste deel van Afrika en het Arabisch schiereiland, behalve het Kongobekken en Madagaskar.
Groep/solitair Kolonies tot 80 dieren
Fokprogramma ESB: AMSTERDAM, Nicolette Snijders
CITES -
IUCN Niet bedreigd (LC)
Follow Us