Hits: 1197

Leefgebied

De struisvogel kwam oorspronkelijk voor in het grootste deel van het Afrikaanse vasteland (uitgezonderd de Sahara en de regenwoudgordel) en Arabië. Tegenwoordig is de soort vooral te vinden in de Sahel, ten zuiden van de Sahara, in Oost-Afrika en het zuidwesten. Ten noorden van de Sahara en in het Midden-Oosten is de soort inmiddels uitgestorven.

De struisvogel komt voornamelijk voor in open, halfdroge savannes, graslanden met kort gras, gebieden met struikgewassen, halfwoestijnen en woestijnvlakten. Ze zijn niet afhankelijk van waterbronnen. 

Uiterlijk

De struisvogel is de grootste en zwaarste hedendaagse vogelsoort. Volwassen mannetjes kunnen tot 2.75 meter hoog en 155 kilogram zwaar worden, maar gemiddeld worden ze 1.80 tot 2.10 meter; vrouwtjes zijn iets kleiner en lichter, tot 1.90 meter hoog en 110 kilogram zwaar.

De struisvogel heeft krachtige, lange en ongevederde poten. Er zijn aan elke poot twee tenen (de enige vogelsoort met dit aantal), waarvan een grote, sterke met een nagel van 10 cm en een kleinere zonder nagel. De grote teen wordt gebruikt bij het rennen. Struisvogels hebben een relatief kleine kop, maar erg grote ogen. Met een diameter van 50 mm zijn het zelfs de grootste ogen van alle landdieren. De lange, kale nek vertegenwoordigt bijna de helft van de lichaamslengte.

Het lijf is bedekt met veren (geen donsveren). Het verenkleed van het mannetje is voor het grootste deel zwart met witte vleugeleinden. De staart is in de regel wit tot grijs. De kop, nek en poten zijn voor het grootste deel ongevederd en grijs tot blauw van kleur. Het vrouwtje en onvolwassen dieren zijn op de nek, poten en licht gevederde kop, hoofdzakelijk grijsbruin. De vleugeluiteinden van vrouwtjes zijn vuilwit van kleur.

In de voortplantingstijd verkleuren de nek en de poten van het mannetje. De populaties in Oost- en West-Afrika worden oranjeroze, terwijl in Zuidelijk Afrika de schenen rood kleuren. Het mannetje van een ondersoort, de Somalische struisvogel, heeft een blauwe nek en poten en een rode streep over de schenen.

Voortbeweging

De struisvogel is de snelste vogel op de grond en het snelste landdier op twee poten. De struisvogel kan een snelheid van 50 kilometer per uur over een periode van dertig minuten volhouden. In een korte sprint kan hij zelfs snelheden van 70 kilometer per uur halen, waarbij hij stappen maakt van 3.5 meter. Deze snelheid is mogelijk doordat hij energie erg efficiënt in zijn pezen kan opslaan.

Wetenswaardigheden

Mocht er een roofdier in de buurt van het nest komen dan kan een struisvogel opmerkelijk gedrag vertonen, namelijk met de nek languit op de grond liggen om zo minder op te vallen. 

Voedsel in de natuur

Een struisvogel is een omnivoor. Grassen en kruiden, wortelen, bladeren, bloemen, zaden en vruchten vormen het hoofdonderdeel van het dieet, maar hij eet ook dierlijk materiaal als hagedissen, kikkers, kleine schildpadden en sprinkhanen en andere insecten. Deze dieren, die tussen de planten schuilen, worden in één keer doorgeslikt. Zand, stenen en ander hard materiaal worden ingeslikt om te helpen bij de vertering. 

Gedrag

De struisvogel is over het algemeen stil, maar beide geslachten kunnen sissende, snuivende en fluitende geluiden maken. Ook klapt hij geregeld met zijn snavel. Bij nachtelijk gevaar en bij de balts laat het mannetje een diepe, luide galm horen: boe-boe-boee-boee. Dit is vergelijkbaar met het loeien van een koe.

De struisvogel leeft over het algemeen in paren of kleine groepen van gemiddeld vijf volwassen dieren. Grotere groepen zijn vaak paartjes met een crèche met jongen. Vaak zijn struisvogels tezamen met andere savannedieren als zebra's en antilopen te vinden. Dergelijke groepen zien roofdieren eerder aankomen doordat zij elkaars zintuigen aanvullen: struisvogels hebben een beter zichtvermogen, terwijl de hoefdieren een sterk ontwikkelde reukzin hebben.

Het gezamenlijke nest is vrij eenvoudig; het bestaat vaak uit niet meer dan een stuk geschraapte grond. De vrouwtjes leggen elk zo'n 10-15 witte eieren in het nest. Een struisvogelnest bevat daardoor vaak veertig of meer eieren: het record staat op 78. Het broedende dier kan echter slechts ongeveer twintig eieren bedekken, waardoor veel eieren niet uitkomen. Het alfavrouwtje rolt daarom de eieren van andere vrouwtjes naar de rand, zodat in ieder geval haar eieren uitkomen. De niet uitgekomen eieren worden uiteindelijk gegeten door jakhalzen en hyena's.

Predatie

Een struisvogel verdedigt zich hoofdzakelijk op drie manieren, namelijk door hard weg te rennen, te trappen of door zich te verbergen. Wegrennen is een effectieve manier omdat struisvogels een snelheid kunnen bereiken van 70 kilometer per uur, waarbij hij zich in balans houdt met zijn vleugels. Ook is de struisvogel een geduchte tegenstander vanwege de trappen die hij kan uitdelen. Zijn kracht stelt hem in staat om een mensenbeen te breken of een hoek van 45 graden te trappen in een ijzeren staaf van één centimeter dik. Als derde manier ligt hij bijvoorbeeld in het broedseizoen in een kuil en legt hij zijn hoofd en hals plat op de grond, zodat hij er als een graskluit uitziet in de wazige hitte van de woestijn. Wanneer een indringer dan alsnog te dichtbij komt, stapt hij op en gebruikt hij zijn traptechniek.

Natuurlijke vijanden van de struisvogels zijn luipaarden, leeuwen, Afrikaanse wilde honden en gevlekte hyena 's.

Voortplanting in de natuur

In het paarseizoen vechten de mannetjes met hun sterke poten om de vrouwtjes. Om vrouwtjes voor zich te winnen, voert het mannetje een baltsdans uit. Hij hurkt door zijn poten, spreidt zijn vleugels uit en zwaait zijn felgekleurde nek heen en weer. Het mannetje vormt vervolgens een harem van 2 tot 7 (maximaal 18) vrouwtjes. Eén van deze vrouwtjes is het alfavrouwtje. Zij zal de eerste eieren leggen en samen met het mannetje de broedzorg op zich nemen. De lager geplaatste vrouwtjes broeden niet. Het dominante paar wisselt het broeden van elkaar af: het mannetje neemt vaak de nachtdienst. 

De eieren van de struisvogel zijn groter dan die van ieder ander dier: ze hebben een grootte van 15 bij 12 centimeter en een gewicht van 1.3 kg. Hierdoor is de dooier van het struisvogelei ook de grootste cel van het gehele dierenrijk (als het net bevrucht is). De eieren worden uitgebroed gedurende 40 tot 45 dagen.

De jongen zijn nestvlieders, die drie dagen na het uitkomen het nest verlaten en zich verzamelen in een grote crèche, die wordt beschermd door het dominante paar. Bij een ontmoeting met een ander paar met jongen zal een gevecht volgen, waarna het winnende paar de crèche van het andere paar overneemt. Op deze manier kunnen groepen ontstaan van soms wel honderd tot driehonderd dieren.

Na negen maanden tot een jaar breekt deze crèche op en zijn de dieren zelfstandig. De struisvogel is na drie tot vier jaar geslachtsrijp. De struisvogel kan wel 30 tot 40 jaar oud worden.

Bedreiging

In de 18e eeuw waren struisvogels door de jacht om de veren bijna uitgestorven. Halverwege de 19e eeuw begon men struisvogels te fokken. Tegenwoordig is de vraag naar struisvogelveren sterk verminderd en is er weer een veilige populatie. De IUCN heeft de struisvogels geclassificeerd als niet bedreigd.

Bronnen:

Creative Commons-Licentie
Dit werk valt onder een Creative Commons Naamsvermelding-GelijkDelen 4.0 Internationaal-licentie.